Leonard Bernstein Chichester Psalms* (1965)
Eric Whitacre Sainte-Chapelle (2013)
George Gershwin An American in Paris (1928)
28.06.2026 FLAGEY BRUSSEL
Eric Whitacre (°1970) is op zijn minst een fenomeen te noemen. Met zijn hedendaagse maar toegankelijke stijl en innoverende projecten ontketende hij een ware revolutie in de koorwereld: zijn eerste album Light & Gold werd in 2012 beloond met een Grammy Award en ook het vervolgalbum Water Night klom na de release meteen naar de eerste plaats in de iTunes Classical Charts. Ook met zijn online project Virtual Choir – waarbij koorzangers van over de hele wereld Whitacres composities inzingen, die dan achteraf tot één video gesampled worden – wist hij over lands- en leeftijdsgrenzen heen een breed publiek te bereiken.
Whitacre kwam bijna toevallig in contact met klassieke muziek, toen hij na lang aandringen een repetitie bijwoonde van het College Choir van de universiteit. Hij hoopte er mooie meisjes tegen het lijf te lopen, maar vond er zijn roeping. Hij ruilde Nevada voor New York en ging compositie studeren aan de befaamde Juilliard School of Music, als leerling van John Corigliano. Zijn inspiratie haalt Whitacre uit zijn verleden als muzikant in een technogroepje, maar evenzeer uit poezië, filmmuziek of klassieke werken. Hij volgt daarbij vooral zijn intuïtie: “Muziek moet in de eerste plaats authentiek zijn, en iets aan de muzikanten en het publiek vertellen.”
Ook Sainte-Chapelle kent een mooie ontstaansgeschiedenis. Whitacre componeerde het werk in 2013 op vraag van de Tallis Scholars, om hun 40ste verjaardag te vieren. Hij verbleef op dat moment in Parijs, waar hij onder de indruk was van de schoonheid van een 13e-eeuwse kapel, genaamd Sainte-Chapelle. Charles Anthony Silvestri voorzag hem van een tekst over een onschuldig meisje dat het Sanctus hoort zingen door de engelen afgebeeld op de glasramen van de kapel.
Ook Leonard (Louis) Bernstein (1918-1990) was niet wars van een uitstapje naar niet-klassieke muziekstijlen, en verweefde klassieke muziek met elementen uit de jazz-, dans- en theaterwereld. Bovendien wist Bernstein als geen ander een breed publiek enthousiast te maken voor muziek – nog iets wat Whitacre met hem gemeen heeft. Bernstein presenteerde jarenlang een educatief televisieprogramma over klassieke muziek en richtte zich met zijn Young People’s Concerts ook op jongeren.
Naast zijn drukke carrière als dirigent (hij was onder andere eerste dirigent en artistiek leider van het New York Philharmonic tussen 1957 en 1969), vond Bernstein nog tijd om te componeren. Hoewel hij met enkele belangrijke composities bijdroeg tot het symfonische repertoire, lag zijn grote liefde bij het theater. Bernstein was erop uit ‘The Great American Opera’ te creëren, een genre dat tussen opera en populair theater in moest liggen; een opwindende combinatie van de Europese en Amerikaanse muzikale tradities, zowel klassiek als populair. Zijn meest bekende voorbeeld in dat genre is ongetwijfelde de musical West Side Story uit 1957. Maar het meest in de buurt van die ‘nieuwe vorm’ kwam Bernstein in zijn komische operette Candide, die hij in diezelfde periode componeerde. Candide, naar de gelijknamige satire van Voltaire uit 1759, vertelt het verhaal van een goedhartige en ietwat naïeve jongeman die de wereld rondreist en verstrikt raakt in de meest onwaarschijnlijke situaties. In de humoristische score passeren nagenoeg alle genres uit de Westerse muziekgeschiedenis de revue, van bachkoralen, over bel canto aria’s tot dansvormen als de wals, gavotte en polka.
In de Chichester Psalms verzoent Bernstein de bruisende wereld van Broadway met religie door de latinoritmes uit zijn musicals te verwerken in een koorwerk. Hij schreef de compositie in 1965, in opdracht van het Southern Cathedrals Festival in de Chichester Cathedral in Sussex. Hoewel hij het aanvankelijk bedoelde voor de bezetting van jongenssopraan, koor en orkest, reduceerde Bernstein het orkest al gauw tot orgel, percussie en harp. Hij benadrukte erbij dat de jongenssopraan vervangen kon worden door een contratenor, maar in geen geval door een vrouw. De liturgische betekenis van de teksten kon immers enkel kracht bijgezet worden door een mannelijke zanger. In het werk zijn de Joodse roots van Bernstein duidelijk aanwezig – zo zijn de teksten in het oorspronkelijk Hebreeuws en speelt het getal 7 een symbolische rol – maar Bernsteins opzet was vooral om de gemeenschappelijke basis van het christen- en jodendom te benadrukken. Hij zette daarbij zijn heldere stijl in om de optimistische boodschap uit de finale kracht bij te zetten: "Zie, hoe mooi en lieflijk het is, indien broeders eendrachtig bij elkaar wonen”.
Gershwin staat geboekstaafd als één van de populairste Amerikaanse componisten. Met als belangrijkste verdienste: het slopen van hokjes tussen de muziekgenres. Gershwin groeide op aan de Lower East Side van Manhattan, een plek waar componisten van diverse origines naast elkaar werkten, ideeën uitwisselden en verschillende culturele uitingen uit heden en verleden met elkaar vermengden. Als jonge knaap oefende hij urenlang aan de piano en woonde hij zoveel mogelijk uitvoeringen bij van zijn favoriete componisten en pianisten. Tijdens zijn compositielessen bij Charles Hambitzer lag de nadruk vooral op de muziek van Debussy, Ravel en Schönberg, maar zijn latere leraar Edward Kilenyi duwde hem ook in de richting van de populaire muziek. Die zou hem meer publiek succes opleveren. Dat kwam er in 1919 toen zanger Al Jolson het vrolijke nummer ‘Swanee’ van de jonge songwriter opnam. Het werd meteen Gershwins grootste hit. Ook in de daaropvolgende jaren volgden klassiekers zoals ‘The Man I Love’ en ‘I got Rhythm’, op teksten van zijn al even succesvolle broer Ira.
Maar Gershwin nam geen genoegen met het succes van zijn Broadway-carrière. Zijn fascinatie voor de muziek van de Europese moderne componisten als Schönberg en Stravinski deed hem verlangen naar een synthese van beide werelden. In 1924 componeerde hij op vraag van jazzband-leider Paul Whiteman zijn eerste orkestwerk Rhapsody in Blue (in de pers aangekondigd als een ‘Experiment in Modern Music’), dat ook bij de beroemdheden uit de Europese klassieke muziekscène op veel bijval kon rekenen. Het succes leverde hem niet veel later een nieuwe opdracht op, deze keer van Walter Damrosch, dirigent van het New York Philharmonic. Voor die nieuwe compositie haalde Gershwin inspiratie uit zijn recente verblijf in de Franse hoofdstad. Hij pende zijn ervaringen neer in de vorm van een symfonisch gedicht, en eenmaal terug in de Verenigde Staten werkte hij de schetsen af en doopte hij het geheel tot An American in Paris. Het werk ging datzelfde jaar nog in première in Carnegie Hall.
Hoewel Gershwin aangaf geen expliciete scènes voor te willen stellen, kan je je als luisteraar het typische beeld van Parijs perfect voor de geest halen: het bruisende nachtleven, de music halls, een romantische wandeling langs de Seine en het drukke autoverkeer — inclusief echte claxonnerende toeters. Over die laatste ontdekte musicoloog Mark Clague in 2016 dat orkesten jarenlang de verkeerde autoclaxons hadden bespeeld. In de partituur duidde Gershwin de toeters met de letters a, b, c en d aan, maar hiermee bedoelde hij niet de notennamen; hij had heel andere noten voor ogen, namelijk as, bes, een hoge d en een lage a. Critici zagen het werk als een hype die snel zou overwaaien: “Of een symfoniepubliek er over twintig jaar, als whoopee niet eens meer een woord is, nog met enig plezier of geduld naar zal luisteren, is een heel ander verhaal.” Maar ze kregen ongelijk, het werk is al bijna een eeuw lang een populair werk op het repertoire van orkesten.
teksten van Aurélie Walschaert