Brussels Philharmonic | Brussels Philharmonic | Kazushi Ono,…

España

programmatoelichting

12.11.2022 ESPAÑA

geschreven door Aurélie Walschaert

[bekijk alle toelichtingen]

Niet lang na het overlijden van Claude Debussy (1862-1918) schreef de Spaanse componist Manuel de Falla (1876-1946) het volgende: “Hoe kan het dat deze Fransman, die slechts eenmaal Spanje bezocht heeft, op zo’n meesterlijke wijze de Spaanse folklore weet te etaleren? Veel Spaanse componisten kunnen niet aan deze Debussy tippen. Stikjaloers zullen ze zijn!”

De Falla raakte bevriend met Debussy en Maurice Ravel (1875-1937) toen hij in 1907, op aanraden van zijn mentor Felip Pedrell, naar Parijs verhuisde. Hij raakte in de ban van hun esthetiek, en op hun beurt pikten Debussy en Ravel elementen uit zijn muziek op. De fascinatie voor exotische culturen was al even in opmars in de Franse hoofdstad, en mede onder invloed van de wereldtentoonstellingen aan het einde van de 19e eeuw ontstond een kruisbestuiving tussen het Franse impressionisme en de levendige en kleurrijke Spaanse muziek.

Zijn eerste Spaans getinte compositie schreef Debussy in 1903 met La Soirée dans Grenade voor piano. Maar het was vooral Ibéria waar De Falla zo van onder de indruk was. Bij Ravel zat de aantrekkingskracht tot de Spaanse cultuur verweven in zijn genen; zijn moeder kwam namelijk uit Ciboure, een Frans-Baskisch dorpje aan de Atlantische Oceaan. Daarnaast onderhield hij tal van vriendschappen met Spanjaarden, en verbleef hij regelmatig in het land van de flamenco en toreadors. Het is tijdens één van die reizen dat Ravel de eerste schetsen maakte van zijn Pianoconcerto in G.

Portret van het Iberische schiereiland

Images pour Orchestre, een muzikaal portret van drie Europese landen, is één van Debussy’s bekendste en meest grootschalige orkestwerken. Debussy werkte er op verschillende tijdstippen aan in de periode tussen 1905 en 1912, en de drie delen gingen ook afzonderlijk in première. Het eerste dat hij in de reeks voltooide was Ibéria, een ode aan de Spaanse cultuur. Langer dan een paar uurtjes was hij niet in Spanje geweest, maar toch wist hij precies de juiste sfeer te evoceren. En dat alles louter vanuit wat hij over Spanje had gelezen, gehoord of gezien.

Ibéria bestaat op zijn beurt uit drie delen. Over het eerste deel, Par les Rues et par les Chemins, schreef Debussy: “Op dit moment hoor ik de geluiden van de Catalaanse wegen en tegelijk de muziek van de straten van Granada”. Dat vertaalt zich in levendige muziek, met castagnetten en tamboerijn in het orkest. Het tweede deel, Les Parfums de la Nuit, riep bij De Falla de “bedwelmende magie van Andalusische nachten” op. Hier maken de castagnetten plaats voor een intieme bezetting en sensuele klankcombinaties. Aan het einde luiden klokken de dageraad en het begin van het levendige Le Matin d’un Jour de Fête in. Na het ontwaken barst het feestgedruis los: een vrolijke menigte danst op de stemmige akkoorden van een banda de guitarras y bandurrias, blazers fluiten opgewekte melodieën en in de verte weerklinkt een deuntje op viool.

Contrastrijk concerto

Ravels Pianoconcerto in G is een blauwdruk van Ravels esthetiek. Met Mozart en Saint-Saens als voorbeeld, staat het ver van de vaak bombastische pianoconcerti uit de twintigste eeuw. “De muziek van een concerto moet, naar mijn mening, lichtvoetig en briljant zijn, en niet streven naar diepzinnigheid of dramatische effecten. Van sommige grote klassieken [met name Brahms] is gezegd dat hun concerti niet 'voor' maar 'tegen' de piano zijn geschreven. Ik ben het daar helemaal mee eens. Ik was van plan dit concerto de titel 'Divertissement' te geven. Toen bedacht ik me dat dat niet nodig was, omdat de titel 'Concerto' op zich al duidelijk genoeg zou moeten zijn.”, zo verduidelijkte Ravel zijn visie.

Hij schreef zijn Pianoconcerto in G tussen 1929 en 1931, na een concertreis door de Verenigde Staten. Hij had er de jazz leren kennen die ook in Parijs weerklonk: "Het meest boeiende van jazz is het rijke en afwisselende ritme. Het is een erg rijke en onmisbare bron van inspiratie voor moderne componisten, en het verwondert me dat zo weinig Amerikanen erdoor beïnvloed worden". Het verbaast dan ook niet dat Ravel de gesyncopeerde ritmes, bluesfiguren en jazzharmonieën in zijn pianoconcerto integreerde. Ook de Spaanse invloeden zijn niet ver weg. Qua vorm volgt het concerto de traditionele opdeling in drie bewegingen, die onderling erg van elkaar verschillen. Voor het orkest koos Ravel bewust een kleinschalige bezetting, waarbij vooral de diepe stemmen zoals de Engelse hoorn, basklarinet, contrafagot en de lage strijkers aan zet zijn - als contrast met de pianist die voornamelijk in het hoge register speelt.

Ravel wilde graag zelf de première uitvoeren, maar door gezondheidsproblemen moest hij van dat plan afzien. Pianiste Marguerite Long nam zijn plaats in tijdens de succesvolle première in 1932 in Parijs, met Ravel als dirigent. Het was de start van een tournee langs de grote Europese steden. Daarna ging Ravels gezondheid snel bergaf: een degeneratieve spierziekte zorgde ervoor dat hij het jaar daarop nog erg moeilijk kon schrijven, spreken of zelfs bewegen. Hij overleed in 1937 na een hersenoperatie, maar liet met dit werk wel één van de populairste pianoconcerti van de twintigste eeuw na.

BORIS GILTBURG: “From a performer’s point of view, the concerto is a sheer joy to play – the first and third movements are exuberant, energetic, fun and quirky, light fingered, and at the same time have those moments of melancholy which are Ravel’s trademark (and – it’s a secret, don’t tell – these two movements are not terribly difficult). And then there’s the second movement…”

Op en top Spaans

Tijdens zijn verblijf in Parijs ontwikkelde De Falla een persoonlijke stijl die hij zelf omschreef als “de schepping van een nieuwe Spaanse kunst”, gebruik makend van “de natuurlijke, levende bronnen van de Spaanse volksmuziek, namelijk de substantie van klank en ritme en niet hun uiterlijke verschijningsvormen”. Met een pak nieuwe inspiratie en ervaring op zak, keerde hij in 1917 terug naar Spanje. Datzelfde jaar had de Russische impresario Sergei Diaghilev het door oorlog geteisterde Parijs ingeruild voor het neutrale Madrid. Daar raakte hij als betoverd door een uitvoering van De Falla’s Nights in the Gardens of Spain, waarop hij de componist vroeg om de compositie te herwerken voor zijn Ballets Russes. Maar De Falla zag het anders; hij deed Diaghilev het tegenvoorstel om zijn pantomime El corregidor y la molinera uit te breiden tot een volwaardig ballet.

En zo geschiedde. De Falla vertaalde het verhaal van de zelfvoldane corregidor die de molenaarsvrouw van haar man probeert af te snoepen, in een balletpartituur die bol staat van de energieke dansen, Spaanse volksmelodieën en sprankelende humor. Niemand minder dan Leonide Massine zorgde voor de choreografie, terwijl de decors en kostuums ontworpen werden door Pablo Picasso. Al bij de eerste uitvoering in het Londense Alhambratheater op 22 juli 1919 was El Sombrero de Tres Picos - in het Nederlands vertaald als De Driekanten Steek - een overweldigend succes. Het werd zo geprezen, dat De Falla niet veel later twee orkestsuites uit het ballet samenstelde - een uit elke acte. De tweede suite, waarin de ene traditionele dans de andere in sneltempo opvolgt, groeide uit tot een succesnummer.