De symfonieën van Gustav Mahler vormen één van de hoekstenen van de symfonische muziek van de 20ste eeuw. Grootse architecturale constructies, onverschrokken en grensverleggend vormgegeven, met diepe, persoonlijke en soms rauwe emoties. Zelf zei Mahler over deze symfonie: ‘Elke noot is vol vitaliteit en tolt rond als in een wervelwind. Romantische en mystieke elementen komen niet voor, het is slechts een uiting van ongehoorde en niet geëvenaarde kracht. Het is de mens in het volle daglicht, op het hoogste punt van zijn leven.’

“Het betekent zoveel voor me, mijn vijfde seizoen als muziekdirecteur van Brussels Philharmonic starten met Mahler 5. Ik voel dat we er nu klaar voor zijn om deze uitdaging samen aan te gaan. De symfonieën van Mahler zijn indrukwekkend en groots - zowel de structuur als de duur van de werken. Maar bovenal is elke symfonie een universum op zich: met alle mogelijke en uiteenlopende emoties, als een spiegel van de mensheid, en de uitdrukking van het leven zelf.”
- stéphane denève, muziekdirecteur

Zoals de meeste van Mahler’s symfonieën viert de Vijfde symfonie de triomf over de mens, zijn overwinning over verdriet en dood. Het werk werd gecomponeerd in 1901. In die periode voltooide Mahler zeven Rückert liederen en het laatste ‘Wunderhorn’ lied op het zelfde moment als hij begon aan zijn nieuwe symfonie.

Het globale plan werd in ieder geval gelegd in 1901. Doch de compositie was pas voltooid een jaar later in het Oostenrijkse Maiernigg. Het was toen dat de Mahler aan het Scherzo een dubbel eerste beweging toevoegde en een laatste deel waaronder het overbekende Adagietto en de Rondo-finale. Aldus kwam hij tot een nieuw geraamte van vijf bewegingen verdeeld over drie secties, met het Scherzo als als de absolute kern, het centrum van alle zwaarte van het gehele werk.

Wanneer Mahler terugkeerde naar Maiernigg, op het einde van juni 1902, was zijn leven volledig veranderd. Hij werd begeleid door zijn knappe jonge vrouw, Alma Schindler, die van dan af zijn zus Justi zou vervangen als behoedster van het huis. Het duurde echter tot 24 augustus dat hij aan twee vrienden in een brief de voltooiing van de symfonie aankondigde. Die dag wou hij met Alma zijn vreugde over het beëindigd werk delen. Hij nam haar bij de arm en leidde haar naar het ‘Häuschen’ (zijn studio in de bossen, ver van zijn huis), waar hij de hele symfonie speelde op de piano. Als gewoonlijk zou hij enkele finale aanpassingen doen in de loop van het jaar zodat de volledige en uiteindelijke versie pas klaar was tegen 1903.

Toch zou de nieuwe symfonie zijn ‘zorgenkind’ worden, zelfs nog meer dan zijn vroegere symfonieën. Want voor deze symfonie voldeed de orkestratie te weinig; de evolutie in zijn stijl vroeg nu namelijk klaarheid boven alles. De eerste revisie uit 1904 werd gevolgd door vele andere. Mahler bleef tot op het einde van zijn leven verder werken aan de perfectionering en verfijning van de orkestratie van zijn Vijfde Symfonie: zijn laatste revisies dateren uit 1910.

Het werk opent met een dodenmars. Hier is de dood niet langer geromantiseerd zoals in de Vierde Symfonie, maar is een onmiddellijk en schrikaanjagende gebeurtenis. Het klagende tweede thema door de violen is zowel gerelateerd aan het eerste lied uit de Kindertotenlieder als aan het Wunderhorn lied waarin de gedachten van het kind bijna worden teniet gedaan. Zo ontstaat er een meditatie over de universele dood. Hierop volgt een wild centraal trio, een uitroep van rouw. In een tweede minder stormachtig trio ontwikkelt het klagende materiaal tenvolle om te komen tot een passionele climax.

Het allegro tweede deel is een uitgebreide verderzetting van de eerste. De openingsparagraaf gaat verder door op de muziek van de trios, terwijl de tweede paragraaf teruggrijpt naar de dodenmars en in het bijzonder naar het geweeklaag. Halfweg de beweging lanceert de muziek zich plots in een mars en er is een kort moment van triomf (in A-groot) vooraleer het aan de kant wordt geveegd. Maar de mars komt terug, deze keer in D-groot, de toonaard waar deze symfonie eigenlijk naar streeft en dat samenkomt in een jubelend koraal. Opnieuw is de triomf te vroeg: het koraal waaiert weg en de openingsmuziek keert terug om de beweging te eindigen in duisternis.

Mahler vraagt een lange pauze voor het Scherzo en een grote D-groot beweging. Het is een uitgebreide en exuberante samensmelting van volks- en Weense dansen, met een obbligato deel voor de eerste hoorn, die zowel de dans leidt als momenten kent van nostalgische contemplatie. Dit monumentale Scherzo is het langste dat tot dan toe geschreven is in de muziekgeschiedenis.

Na het Scherzo kalmeert Mahler de stemming verder met het Adagietto. Dit deel, waarin Mahler zijn Rückertlied ‘lch bin der Welt abhanden gekommen’ citeert, wordt beschouwd als een gesublimeerde

liefdesbrief aan zijn vrouw Alma. Het Adagietto is doordrongen van een bitterzoete lyriek en doorvlochten met wondermooie melodieën in een kalme, beschouwende sfeer.

In het laatste deel dat zonder onderbreking op het Adagietto volgt, komen elementen van de voorgaande delen tezamen. Volksliedachtige thema's worden vervlochten met indrukwekkende fuga's en in dit heftige lijnenspel duikt ook het thema van het voorafgaande Adagietto op. Dit alles mondt uit in een groots koraal dat nu, in tegenstelling tot in het tweede deel, wel volledig tot ontplooiing komt. De elementen van deze symfonie, diepe droefenis en stralend licht, worden met elkaar verbonden tot een groots, feestelijk en zonovergoten slot.

Larghetto for Orchestra

De Schotse componist James MacMillan (°1959) geldt als één van de belangrijkste hedendaagse componisten van liturgische muziek. Zijn Larghetto for Orchestra (2017) is de instrumentale versie van het a cappella koorwerk Miserere, dat hij in 2009 componeerde in opdracht van het oudemuziekfestival Laus Polyphoniae. In het Miserere maakt MacMillan gebruik van de tekst van Psalm 51: “Heb medelijden met mij, o God, uit uw grote barmhartigheid. En wis, uit uw eindeloos mededogen, mijn slechtheid uit. Was mij grondig schoon van mijn slechtheid en ontdoe mij van mijn zonde. Want ik erken mijn fouten…” MacMillan’s Miserere en zijn Larghetto for Orchestra verklanken niet alleen de beelden en emoties van de individuele verzen, maar volgen ook een langzaam groeiend optimisme, van de aanvaarding en berouw van de openingsregels tot de hoop en vergeving van het slot.

Info concert