Kom je op 12 oktober naar Strauss: Ein Heldenleben? Bereid je alvast voor en lees de programmatoelichting geschreven door Aurélie Walschaert.

Op 5 juni 1568 werd Graaf Lameraal van Egmont onthoofd op de Grote Markt in Brussel. 450 jaar later staat hij nog steeds symbool voor de opstand tegen elke vorm van onderdrukking. Het noodlot van Egmont vormde voor Goethe (1749-1832) de aanleiding voor het schrijven van een theaterwerk, en toen Ludwig von Beethoven (1770-1820) gevraagd werd er muziek bij te schrijven, was het thema nog brandend actueel. De bezetting door de legers van Napoleon wakkerde een gevoel van strijdvaardigheid en nationalisme los bij de Weense bevolking, en dat is duidelijk hoorbaar in de triomfantelijke ouverture die Beethoven bij het theaterstuk componeerde. Eenzelfde vrijheidsgedachte staat centraal in het celloconcerto Never Give Up van de Turkse pianist-componist Fazil Say (1970). Hij componeerde het werk in de nasleep van de terroristische aanslagen in Europa en Turkije, als protest tegen terreur en geweld.

De held die Richard Strauss (1864-1949) in zijn symfonisch gedicht Ein Heldenleben opvoert, is dan weer een pak zelfbewuster. Het werk leest als het artistieke levensverhaal van de componist, maar wie dieper graaft, ontwaart achter de ironische laag een universeel thema: de vrijheidsstrijd van het individu tegen een complexe externe en interne wereld.

Revolutie

Goethe nam kennis van Lamoraal I, de vierde graaf van Egmont, tijdens het bestuderen van de geschiedenis van de Nederlanden. Hij verromantiseerde de tragische laatste jaren uit het leven van deze historische figuur in het treurspelEgmont, dat zich afspeelt in het 16e-eeuwse Brussel. Spanje heeft de Nederlanden bezet, en graaf Egmont en Willem van Oranje leiden het verzet van de protestanten. Willem van Oranje weet op tijd te ontkomen, maar Egmont bijt zich goedgelovig vast in de zaak. Het wordt zijn ondergang: Hertog van Alva laat hem gevangen nemen en veroordeelt hem wegens landverraad tot de doodstraf. Zijn geliefde, de jonge Klärchen, onderneemt nog een vergeefse poging om hem te redden. Uit wanhoop pleegt ze zelfmoord. Egmont sterft ten slotte als martelaar, maar niet zonder zijn landgenoten op te roepen om de onafhankelijkheidsstrijd verder te zetten.

Dat Goethe van bij de oorsprong van het theaterwerk al muziek voorzag, blijkt uit de duidelijke regieaanwijzingen in de tekst. Voor de voorstelling op 15 juni 1810 in het Weense Burgtheater, schreef de toenmalige directeur zijn stadsgenoot Beethoven aan. Een hele eer voor de componist, want hij was een grote bewonderaar van Goethe. Zodanig zelfs, dat hij er slechts een geringe financiële compensatie tegenover zou gesteld hebben. Bovendien was Beethoven de nationalistische thematiek genegen nadat Napoleon en zijn troepen Wenen in 1805 hadden bezet. Het bood hem de kans een kritisch licht te laten schijnen op de woelige politieke situatie.

Naast de muziek bij de tekstpassages die al door Goethe aangeduid waren, componeerde Beethoven nog een ouverture en vier tussenspelen. De uitvoering werd niet echt gesmaakt, waardoor het volledige muziekstuk later nauwelijks nog uitgevoerd werd. Enkel de ouverture zou de première overleven, als theaterstuk in miniatuurvorm. Van een tragisch en donker begin schetst ze het verloop van het drama, tot het jubelende einde in majeur: de vrijheidsgedachte leeft verder in de nabestaanden van de held.

Een heldenleven

Met zijn Egmontouverture zette Beethoven een nieuwe trend in, die van programmatische ouvertures. Aan het eind van de 19de eeuw zou dé programmamuziek bij uitstek, het symfonisch gedicht, een hoogtepunt kennen dankzij Richard Strauss. Tussen 1888 en 1903 componeerde hij maar liefst vijf symfonische gedichten; Also sprach Zarathustra is wellicht zijn meest legendarische, met dank aan de indrukwekkende openingsmaten. Ein Heldenleben is het voorlaatste in die reeks, en niemand minder dan Debussy noemde het werk “een platenboek, zelfs cinematografie”. Het bewijst hoe sprekend Strauss’ beeldspraak is, zodanig zelfs dat hij beweerde dat een programma niet nodig was: “het is voldoende te weten dat het gaat om een held in strijd met zijn vijanden”. In de programmatoelichting voor de première voegde hij er nog aan toe dat het onderwerp "geen poëtische of historische figuur schetste, maar eerder een algemeen en vrij beeld van een groots en mannelijk heldendom".

Strauss maakte de eerste schetsen al in 1897, terwijl hij nog aan zijn eerdere symfonische gedicht Don Quichote componeerde. Die eerste fragmenten omschreef hij als “een verlangen naar vrede na de strijd met de wereld; toevlucht in eenzaamheid: de idylle". Hij voltooide het werk eind 1898, en droeg het op aan dirigent Willem Mengelberg en het Concertgebouworkest van Amsterdam (al dirigeerde hij zelf de première op 3 maart 1899 in Frankfurt). Ein Heldenleben bestaat uit zes delen, die achtereenvolgens gespeeld worden, zonder pauze. Strauss gaf de delen oorspronkelijk een titel, om deze voor de publicatie van de partituur weer te verwijderen. Achtereenvolgens weerklinken: de voorstelling van de held – de tegenstanders van de held – de vrouwelijke metgezel van de held – het slagveld van de held – de vredeswerken van de held – terugtrekking uit de wereld en vervulling.

De reacties van het publiek en de pers na première waren dubbel. Zij die het lazen als een autobiografisch werk vonden de componist verwaand. Volgens Strauss was het “slechts gedeeltelijk waar” dat hij met de held naar zichzelf verwees. Aan bevriend schrijver Romain Rolland gaf hij in een brief dan weer toe dat hij zichzelf “niet minder interessant vond dan Napoleon.” Maar onder deze zelfzekere laag zijn ook indirecte links te vinden naar de filosofie van Nietzsche en diens concept van de Übermensch,
een idee dat Strauss erg bezig hield. Hij zag zijn twee symfonische gedichten Don Quichote en Ein Heldenleben als pendanten van elkaar, enkel volledig te begrijpen wanneer ze naast elkaar geplaatst worden. Waar de heldenmoed in Don Quichote louter fictief is, is ze in Ein Heldenleben menselijke en aards. Ze weerspiegelt de eeuwige innerlijke en uiterlijke strijd van het individu, die troost zoekt in de liefde. Zo verklaarde Strauss zelf: “Ik ben geen held. Ik heb er de kracht niet voor. Ik ben niet geschikt voor de strijd. Het liefst hou ik mij op de achtergrond, op een rustige plaats.”

Een pleidooi voor verdraagzaamheid

De Turkse pianist Fazil Say is wereldwijd bekend om zijn herinterpretatie van het klassieke repertoire, zowel live op scène als op cd. Zijn album met de volledige pianosonates van Mozart was een hit op streamingdiensten als Spotify. Als componist schrijft Say zowel voor solo piano als voor groot orkest. Zijn stijl omschrijft hij als een kruispunt van verschillende culturen, en sterk beïnvloed door ritmische en folkloristische elementen.

Die invloed is ook duidelijk hoorbaar in zijn celloconcerto Never Give Up, een commissie van het Cultuurinstituut Bernard Magrez. Say componeerde het aangrijpende werk in de nasleep van de terroristische aanslagen in Europa en Turkije, en hekelt in de compositie dan ook alle vormen van geweld en oorlog. De cello – Say schreef het werk specifiek voor de opkomende Frans-Belgische celliste Camille Thomas – verklankt de stem van het volk, dat om vrijheid en verdraagzaamheid strijdt. De wereldpremière vond plaats op 3 april 2018 in het Théâtre des Champs-Elysées met het Orchestre de Chambre de Paris onder leiding van Douglas Boyd. Zoals de titel suggereert, spreekt Say met Never Give Up zijn hoop uit voor een betere toekomst: "Iedere dag zou beter moeten zijn dan gisteren, ondanks alles wat er in de wereld gebeurt.”

Toelichting door Aurélie Walschaert

Info concert