22 juni 1941: het Duitse leger valt de Sovjet-Unie binnen. Dmitri Shostakovitch geeft zich op voor militaire dienst. Hij krijgt het antwoord: “We roepen u wel op als we u nodig hebben”. Ongeduldig om iets te kunnen doen, biedt hij zich aan bij de Burgerwacht. In Iszvestija van 4 juli verklaart hij: “Ik zal mijn vaderland verdedigen en ben bereid mijn leven en mijn kracht op te offeren en elke missie uit te voeren die me wordt opgedragen”.

Met een brigade van vrijwilligers van het Conservatorium steekt hij de handen uit de mouwen. Hij graaft mee antitank-greppels rond Leningrad en werpt barricaden op. Later in de maand krijgt hij een opleiding tot brandweerman. Een brand moet hij nooit blussen, want iedereen spaart hem. Zijn echte talent is te kostbaar. Zoals vele collega’s produceert Shostakovitch patriottische liederen, waaronder een marslied voor de Burgerwacht. Zijn bekendste lied uit die tijd, Eed aan de Volkscommissaris, eindigde met de zin: “Het grote uur is daar, Stalin voert ons aan in de strijd, zijn bevel is wet! Trek moedig de gevreesde strijd tegemoet”.

Op 19 juli legt Shostakovitch de eerste hand aan een groot werk dat zijn ervaringen met de oorlog zal vereeuwigen: de Zevende Symfonie. Hij componeert met een ongeziene intensiteit. Zelfs als hij op het dak van het Conservatorium op wacht staat, neemt hij zijn notitieblok mee. Later verklaarde hij: “Ik schreef mijn Zevende Symfonie, de Leningrad, snel. Ik kon haar niet schrijven. De oorlog woedde overal. Ik moest bij het volk zijn, ik wilde het beeld van ons belegerd land scheppen, het graveren in muziek”.

Een moeizaam compositieproces

Toen Shostakovitch de schets van het eerste deel klaar had, begon het Duitse Beleg van Leningrad. De artistieke en intellectuele elite was al geëvacueerd, maar Shostakovitch kon niet worden overhaald te vertrekken. Op 17 september verklaarde hij over de radio: “Een uur geleden voltooide ik de partituur van twee delen van een grote symfonische compositie. Als ik erin slaag om het werk te voltooien, kan ik het misschien mijn Zevende Symfonie noemen. Waarom vertel ik u dit? Opdat de luisteraars die nu naar mij luisteren zouden weten dat het leven in onze stad normaal verder gaat.” Shostakovitch’ optimisme was voorbarig. De gruwelijke effecten van het beleg lieten zich al voelen. Er dreigde hongersnood. Het beleg van Leningrad zou uitgroeien tot de grootste tragedie van de Tweede Wereldoorlog na de Holocaust. Achthonderdduizend burgers kwamen om. De menselijke prijs was zodanig, dat na de oorlog een debat zou ontstaan over de vraag naar de noodzaak van het verzet. Alsof stenen belangrijker waren geweest dan mensen.

Shostakovitch maakte het beleg mee, totdat hij op 1 oktober werd geëvacueerd. Hij vertrok op uitdrukkelijk bevel van de partijleiding, en werd met zijn gezin overgevlogen naar Moskou. De media smeerden het verhaal van zijn verblijf in Leningrad en zijn onwil om te vertrekken breed uit. Shostakovitch groeide uit tot het propaganda-symbool van de jonge moedige componist die zijn stad wou verdedigen in zijn daden en zijn kunst. Op 15 oktober vertrok hij naar Koeïbysjev, de tijdelijke zetel van de regering, de diplomatie en de centrale pers. De dubbele verhuis had het compositorische élan in Shostakovitch verstoord. Het werk aan het vierde deel van de symfonie vorderde niet langer. Op 9 december kreeg hij een appartement toegewezen, waar hij eindelijk de nodige rust vond om opnieuw aan het werk te gaan. In december 1941 was de symfonie voltooid.

Symbolische symfonie

De eerste uitvoering van de Leningrad-symfonie vond plaats in Koeïbysjev op 5 maart 1942. Samoeïl Samosoed dirigeerde het orkest van het Bolsjoj-theater. Daarna ging de symfonie naar Moskou en naar het buitenland. Het succes van de symfonie en haar symbolische impact overtrof alle verwachtingen. Ze ging de wereld rond voordat Leningrad haar kon horen. Op 22 juni dirigeerde Henry Wood haar in Londen. Op 19 juli voerde Arturo Toscanini de partituur uit voor de radio. In 1942 en 1943 weerklonk het werk niet minder dan tweeënzestig keer in de Verenigde Staten. De symfonie kreeg de symbolische status van een anti-nazipamflet in tonen.

Leningrad kreeg haar symfonie pas te horen op 9 augustus 1942. De uitvoering was in handen van Karl Eliasberg en het Radio-orkest. De uitwerking van de uitvoering op de hongerende stad kan moeilijk worden overschat. Er waren zoveel hindernissen te nemen, dat het concert op zichzelf al het karakter kreeg van een heroïsche daad. Begin juli werd de partituur overgevlogen. Kopiisten werkten dag en nacht, vechtend tegen het gebrek aan slaap, papier en pennen. De oorlog had de rangen van het Radio-orkest uitgedund tot veertien musici. De legerleiding gaf musici die aan het front vochten verlof om het orkest te versterken. Luidsprekers zonden het concert uit in de stad. In de beste traditie van de psychologische oorlogvoering stonden er ook luidsprekers opgesteld die gericht waren naar de vijand, om hen duidelijk te maken dat het moreel niet gebroken was. Voordat het concert begon, liet de bevelhebber van de Russische artillerie de Duitse stellingen extra beschieten, om zeker te zijn dat hun geschut zou zwijgen.

De sovjet-autoriteiten waren zich goed bewust van de psychologische impact van kunst op het moreel van de bevolking. De Leningrad-symfonie werd in alle media geprezen als een monument voor de heroïsche strijd van de sovjet-bevolking. Shostakovitch bevestigde die interpretatie in talrijke interviews en artikels. In de Pravda verklaarde hij: “De oorlog die wij vechten tegen Hitler is een gerechtvaardigde oorlog. We verdedigen de vrijheid, eer, en onafhankelijkheid van ons land. We strijden voor de hoogste menselijke idealen in de geschiedenis. We strijden voor onze cultuur, wetenschap, kunst, voor alles wat wij hebben geschapen en gebouwd. En de sovjet-kunstenaar zal zich nooit onthouden van de historische confrontatie die nu plaatsvindt tussen rede en obscurantisme, tussen cultuur en barbarij, tussen licht en duisternis… Ik draag mijn Zevende Symfonie op aan onze strijd tegen het fascisme, aan onze nakende overwinning over de vijand, en aan mijn geboortestad, Leningrad.” In privégesprekken relativeerde Shostakovitch echter de eenduidigheid van de boodschap die hij in de Zevende vertolkte. Uit de herinneringen van Flora Litvinova weten we dat hij protesteerde tegen een te simpele associatie van de muziek met een onderwerp: “Muziek, echte muziek, is nooit letterlijk verbonden met een thema. Fascisme is niet enkel Nationaal Socialisme. De muziek gaat over terreur, slavernij, de onderdrukking van de geest.”

De Leningrad-symfonie is muziek die geen muzikale verfijning beoogt. Ze vertolkt een directe boodschap. Shostakovitch verdedigde zijn opvallende referentie naar de Bolero van Ravel in het eerste deel met de simpele verklaring: “Laat ze mij maar beschuldigen, zo hoor ik de oorlog”. De muziek verwijst naar de terreur van de bombardementen en het geluid van de alarmsirenes. Shostakovitch bedacht titels voor de vier delen: 1. Oorlog, 2. Herinnering, 3. De uitgestrektheid van het vaderland, 4. Overwinning. Later liet hij hen vallen omdat hij hen te restrictief vond.

Westerse critici reageerden heftig tegen het succes van de symfonie. Virgil Thomson noemde haar “geschreven voor luisteraars die traag van begrip zijn, niet erg muzikaal en vlug afgeleid”. Béla Bartok parodieerde het invasie-thema uit het eerste deel in het vierde deel van zijn Concerto voor orkest, waarin het thema door de houtblazers wordt “weggelachen”. Voor het Russische publiek was die kritiek van geen tel. Voor hen groeide de Leningrad-symfonie uit tot een monument in tonen van hun heroïsche strijd. De symbolische waarde van het werk is sindsdien niet verminderd.



T
oelichting door Francis Maes (2003)
Redactie: Aurélie Walschaert